Gepubliceerd in FD 2016
In het essay Morele reflectie onontkoombaar na Panama Papers van Michiel Goudswaard in het FD van 14 mei 2016:
“Wat juridisch mag wordt steeds vaker gezien als moreel verwerpelijk, constateerde AFM-bestuurder Femke de Vries onlangs. Zij heeft gelijk en dat maakt het leven voor allerlei betrokken op het eerste gezicht niet gemakkelijker. Want waar heb je nog houvast, als je de wetten die voor iedereen gelden niet meer als basis kunt nemen voor je doen en laten?”
Deze quote volgend constateren we dus dat gewoonweg het opvolgen van wetten niet genoeg is. Naast het volgen van wetten en regels moet er nog iets anders gebeuren om je te vergewissen van moreel goed handelen. Goudswaard geeft geen antwoord en misschien is dat juist wel het goede.
In het boek van Amartya Sen The Idea of Justice waar ik van leerde dat Adam Smith meer een filosoof van de ethiek was dan een economist, prijst Sen ons een techniek aan ontwikkeld in Smith’s boek The Theory of Moral Sentiments. Deze techniek vraagt van ons om:
‘examine your own conduct as a fair and impartial spectator would examine it’.
Smith introduceerde hier een reflectieve methode. Volgens Sen trachtte hij ons hiermee voorbij de logica te brengen dat mogelijk beperkt wordt door lokale conventies. Met andere woorden: universele regels van de logica die voor iedereen gelden, vertalen zich in specifieke situaties niet altijd tot goede beslissingen en handelingen. Deze methode nodigt je uit na te denken over lokale conventies die als een eigen sausje zijn over de universeel geldende regels, door de ogen van een impartial spectator die op een afstand staat.
Dit reflectieve bestanddeel dat nodig is om een oordeel te vormen over je eigen handelen (dus naast het volgen van de wet) vraagt om tijd en bezinning voor hoe je iets doet. En niet alleen of het effectief is ten aanzien van het behalen van je doel. Dit is namelijk een bekende lokale conventie van ons. De bezinning voor het hoe moet zich ook richten op of het ok is om het zo te doen in de ogen van de eerlijke impartial spectator.
Een andere filosoof, Aristoteles, had hier ook wat op te zeggen. In zijn Nicomachean Ethics definieert hij een aantal intellectuele virtues: wetenschappelijke kennis (sophia) en praktische wijsheid. De eerste is de kennis van algemene en aanwijsbare kennis waarop je handelen kunt baseren. Het gaat uit van niet-variabele universele waarheden (denk aan wetten) en het handelen dat hieruit voortkomt. Praktische wijsheid, ook wel phronesis genoemd, gaat over specifieke praktische zaken. Het vraagt volgens Aristoteles om de reflectie op hoe en waarom het goed is om iets te doen en om een bepaald doel te behalen.
Misschien is het juist deze phronesis dat onze maatschappij en organisaties meer van nodig hebben. We hebben de reflectie op ons eigen handelen teveel uitbesteed aan anderen die onze wetten en regels dicteren of vermaken tot wetboekartikelen. De vraag is of we het kunnen: zelf reflecteren op ons eigen handelen in de zoektocht naar wat goed is naast de vraag of het rationeel het beste is gezien de beoogde resultaten (m.a.w. of het effectief is).
De Panama Papers vertegenwoordigen een gebeurtenis dat nieuwe regelgeving een boost geeft, maar zoals Goudswaard terecht aangeeft in zijn essay is dit niet voldoende. Echter is er ook meer nodig dan dit bewustzijn, want zelfs na alle media aandacht over onterechte exorbitante bonussen, leven we in een maatschappij waar het nog steeds voorkomt dat directieleden en raden van bestuur zichzelf belonen op een wijze waar een fair impartial spectator van buiten een heel ander oordeel op zou geven. Ook al is ieder in zijn (wettelijke) recht. Misschien dat filosofie ons handvatten kan geven, maar wat zeker helpt is dat we zelf af en toe eens filosoferen over het hoe en waarom van ons doen en onze doelen.
